Oost-Groninger Wereldmuziek
 


Derk Sibolt Hovinga - “Niks sprekt, ales swigt” 

door Hero Wouters (maart 2007)


Geschreven in het kader van de gevorderden-cursus van de Stichting Grunneger Toal, met veel dank aan “köster” Meike Stedema. De nummers in de tekst verwijzen naar de gebruikte bronnen, zie Bronvermeldingen.


1. Muze en Mysterie

2. N swaarde bladziede

3. Landleven...

4. ...en literair leven

5. Ritme en Klank

6. Ambitie en Conclusie

7. Bronvermeldingen




1. Muze en Mysterie


Wie de gedichten van Derk Sibolt Hovinga (1909-1990) leest vraagt zich op een gegeven moment af: wie was deze man? Was hij een geslaagde boer of was hij misschien toch een mislukte wetenschapper?  Een mysticus in de middeleeuwse traditie of wellicht een Oldambtster mysticus en dus zonder enige traditie? Hij schreef gedichten, dat is duidelijk, maar was hij wel een dichterlijke dichter op de manier waarop dichterlijke dichters dichterlijk plegen te zijn?


Peter Visser hield in 1999 een toespraak ter gelegenheid van “25 jaor t Grunneger Bouk” met als titel “Over Grunnegtoalege poëzie” (1). Allereerst vergelijkt hij Hovinga (wiens naam hij overigens, Grunneger dan Grunnegs, als “Hovemgoa” noteert) met Slauerhoff, maar dan niet met diens schrijfstijl maar met diens gemakzucht:


“Nait veur niks wer Slauerhoff Slodderhoff nuimd. Zien gedichten moaken nog aal ais n wat roege iendruk, net of e te gaauw tevreden was. Dat e bie tieden genioal was, zel gain mens ontstrieden.” Waarna hij stelt dat ook Hovinga “et nait kloar kreeg om zien grode gevuilens over te brengen op t pepier”.


Over deze persoonlijke mening valt te discussiëren Zij wordt overigens mede ingegeven door een ander aspect dat door Visser wordt gesignaleerd:


“Derk Sibolt Hovemgoa was grepen deur dij aalmacht dij hom omringde en dij hai t mysterie nuimt. Mor ienstee van dat mysterie op te roupen, nuimt hai hom bie noam. Dat is nait alleneg in stried mit t wezen van dat begrip, mor ook nait slim dichterliek. n Dichter mout joe zien gevuilens nait waiten loaten, hai mout joe dij vuilen loaten.”


Ter illustratie allereerst een gedicht uit “Miemern in twijduustern”(1960) (2):


MYSTERIE


Benoader mie hier

Doar ‘k ait noar verlang

Boven mien woorden

Moar binnen mien zang.


Achter de stilte

Flustert dien stem ‘t

over de kilte

Dei mie beklemt.


Gehaaim van de dingen

Hou dei ook is

Kom in mien zingen

Wor in mie wis.


(zie videoclip). Wat Visser bedoelt wordt nog duidelijker in


Oergrond


In kosmiese energie

Onzichtbare kracht

Woont t mysterie,

Goddelke Scheppende macht

Welke van aal wat wordt

Aan leven, geest, materie

En zok ontplooit

En wieder voltooit

En weer overgaait

Boeten ons wait

In woaroet t bestaait:

t Mysterie.


(uit “Onder de Regenboog”, 1987) (3)


Hierbij zou ik wel als kanttekening willen plaatsen dat deze manier van “letterlijk” benoemen natuurlijk alleen met de literatuur verbonden is. Bij het horen van een meeslepende symfonie van Hovinga’s lievelingscomponist Louis van Beethoven (opmerking: Louis had een Belgische vader, zijn naam is later verduitst, dus vandaar geen Ludwig. Visser mocht willen dat hij voor zijn “Hovemgoa” zo’n sterk argument had! Overigens heeft Derk Sibolt één keer een pseudoniem gebruikt, A.G.Vos. Volgens hem gaf de omdraaiing weer hoe zijn naam door veel Groningers werd uitgesproken: S. Ovga (11)) veronderstellen wij allen dat de componist tijdens het scheppen van dit fraais niet geestelijk onberoerd is gebleven- maar omdat hij geen grote woorden gebruikt hebben we daar weinig last van. Uiterst interessant is dan ook het vervolg van het betoog van Visser:


“Nou wil ik loven dat Derk Sibolt Hovemgoa zo’n dichter was dij ie heuren mouten. Hai las n moal gedichten veur op radio en t was of e mit zien stem oerolde loagen van ons toal blootlegde. Dat mouk de gedachte bie mie lös dat zien gedichten opschreven binnen ien n soort van primitief notenschrift dat hai allenig lezen en verklanken kon.”


Hovinga als componist? Zeker, in zoverre dat iedere dichter een componist is. Immers, taal bestaat uit klankkleur en metrum, en is dan ook een vorm van muziek. Een “primitief notenschrift” toevoegen hoeft niet meer, dat is de taal zelf al!


Het enige ontbrekende aspect van het geschreven woord in vergelijk tot muzieknotatie is de toonhoogte, en het is interessant om te zien dat Hovinga ook hieraan aandacht heeft besteed. Zo vinden we het postuum uitgegeven “Laiden van ‘t Oldambt en ‘t olle Loug”, met als ondertitel “veur ‘s oavonds loat en ‘s mörgens vroug” (4) een aantal liedteksten compleet met... notenbalk!


“Roggemouer” is geschreven op muziek van Franz Schubert, “Oldambtster Scheuvellaid” op de wijze van “Mien voader zee lest tegen mie”, “Oldambtster Boerenlaid” (niet te verwarren met het gedicht met dezelfde titel uit de cyclus “Van ‘t Oldambt en Grunnegerlaand” uit “Bloaren aan de Levensboom”) is een bewerking voor gemengd koor van Theo Westen, “’t Meerlandlaid” klinkt op de wijze van “Limburg dierbaar oord” en het “Moushouklaid” op de wijze van “Jipsinghuizen, ‘t aardig dorpje”. Het “Midwolmer volkslaid” mag worden gezongen op de melodie van “Ernst mien jong”, afkomstig uit het Groninger zangspel “De Lindebörg” van H.G. Bleeker (5), en het “Oostwolmer Volkslaid” op “Het Regent” uit dezelfde operette.


Ook staan er 3 liederen in zonder muzikale bronvermelding: “Oldambtster Laid”, “’n Laid van Grunnegerlaand” en “Oostwolmer Volkslaid”. De twee eerste komen voor in de bundel “Bloaren aan de Levensboom” (6), waar we de aantekening vinden dat ze kunnen worden gezongen op de melodieën van respectievelijk “Nachtegaal, wat zingt gij zo schoon” en “Kindren zingt verheugd en blij”.


Kortom, Hovinga schreef graag op muziek, iets waarvan ook zijn vertaalde gezangen uit de Nederlands Hervormde Bundel (uitgave 1938) getuigen. Het lijkt me dan ook zinvol zijn werk mede vanuit deze invalshoek te benaderen. Maar nu eerst iets over zijn achtergrond.




2. N swaarde bladziede


Wie in Oostwold of Midwolda de naam Hovinga laat vallen, kan rekenen op gemengde reacties. Zeker, daar is Derk Sibolt, gewaardeerd lid van de Ommelander Kring (7) en geliefd dichter, compleet met plaquette bij zijn woonhuis (8). Maar ook de Hovinga die in de meidagen van 1940 enthousiast de Duitsers de weg wees, om uiteindelijk burgemeester van Scheemda (1942) en Midwolda (1944) te worden is men nog lang niet vergeten.


Deze Hovinga was niet Derk Sibolt, wiens boerderij staat aan wat nu de Huningaweg heet, maar NSB'er Addo Paul van de boerderij op de Goldhoorn. Hij voerde een waar schrikbewind en was persoonlijk verantwoordelijk voor de dood van een drietal inwoners van Midwolda (9).


Hoe nauw zijn Derk Sibolt en Addo Paul aan elkaar verwant? Bij bestudering van hun voorouders (10) blijkt, dat ene Sijbolt Habbes Hovinga, geboren in 1746 te Midwolda, 7 kinderen kreeg. Het vijfde kind was Derk Sibolts Hovinga (1782), het zesde Ties Sijbolts Hovinga (1784). Deze twee broers zouden de betovergrootvaders van Derk Sibolt en Addo Paul worden. Een verder verwijderde verwantschap dus, dan je zou mogen verwachten in een kleine gemeenschap als Oostwold!


Dit wil niet zeggen dat Derk Sibolt brandschoon uit de oorlog is gekomen. Hij  heeft vlak voor de oorlog met een paar vrienden een semester gestudeerd aan de “Landwirtshaft Hochschule in Bonn-Poppelsdorff. Hier werd ook hij lid van de NSB. Hij schrijft hier zelf in 1952 over:


“Een onzalige nagedachtenis. We zouden de zaken straks in Nederland wel eens even mee op poten helpen zetten. De achtergronden en de het nationaal socialisme begeleidende ellende drong niet tot mij door. We hadden weinig contact met de Duitsers, waren meest onder elkaar en meenden dat allen het met de leiding eens waren. In Nederland terug deed ik aan deze beweging mee. In de vage idealen van de politiek, een soort vlucht, vond ik geen houvast. Langzamerhand ontdekte ik de holheid van haar leuzen en van veel van haar aanhangers en trok me hiervan terug.” (11)


Voor Radio Noord noemde hij deze periode een “swaarde bladziede”. En over de Duitse inval schreef hij later:


Ol maai 1940: ‘t noodlot


Ol maai in loate moannacht,

Op ‘t vrouge melkensuur,

Oam ik de frizze kracht

Van veujoarslocht in de netuur

Woar ‘t gruinlaand in het prille zicht

Nog nat van daauw en ongeschonnen ligt.


Den heur ik onverwacht, doargun vebie,

Explosie op explosie.


Donk’re plumen swaarte rook

Stiegen in de lichte dook:

Broggen dei de locht in springen,

‘t Wraide laid van d’ oorlog zingen.


En loater op de wegen,

De onzegen

Van vrumde, graauwe, soldoatenkolonnen:


Het noodlot is begonnen!


(uit “Bloaren aan de Levensboom”, zie videoclip)


Hoewel hij zich dus duidelijk distantieerde van zijn vroegere “kameraden” (en hun daden), bleef het verleden hem ook na de dood achtervolgen. In de Winschoter Courant lezen we in mei 1992: “Wethouder geconfronteerd met vragen over NSB-verleden Hovinga”, dit naar aanleiding van het voornemen van de Scheemder wethouder Pieter Drenth om mee te werken aan een in Oostwold op te richten standbeeld (12). Al snel bleken de emoties hoog op te lopen. Nadat Drenth door anonieme bellers is bedreigd besloot hij, “uit respect voor de personen die de oorlog aan den lijve hebben ondervonden” zijn steun in te trekken, dit onder de verzuchting: “De aardigheid is er af!” (13). Ook niet mis is de reactie van zijn plaatselijke partij-voorzitter: “Je zult maar familieleden hebben, die de oorlog hebben meegemaakt. Nee, het is beter dat de gemeente zich niet met dit soort zaken bemoeid”.


Het is de vraag in hoeverre de daden van Addo Paul (die na de oorlog tot 15 jaar gevangenschap werd veroordeeld, maar op onverklaarbare wijze na 2 jaar gratie kreeg) ervoor hebben gezorgd dat het beeld van Derk Sibolt is veranderd in een doorzichtig plastic tekstbord...




3. Landleven...


De vader van Derk Sibolt was Habbo Derk Hovinga, geboren op 15 mei 1885 te Oostwold en overleden in 1952. Hij trouwde in 1908 met Anna Frouwina Ebbens uit Nieuw-Beerta. Na haar overlijden in 1929 hertrouwde hij in 1934 met Anje Liefstingh. Uit zijn eerste huwelijk werden vier kinderen geboren:


1. Derk Sibolt op 22 oktober 1909

2. Anna Elisabeth op 16 september 1910, overleden op 4-jarige leeftijd op 25 augustus 1915

3. Onno Sebes op 16 mei 1915, redacteur van dagblad “Het Vaderland”

  1. 4.Anna Elisabeth op 7 mei 1918.


Derk Sibolts eerste zusje overleed toen hij 6 was. Het hergebruik van de naam van een overleden kind was toen overigens gebruikelijk, wij kijken daar nu misschien wat anders tegenaan.


Derk Sibolt groeide op in Oostwold, en kreeg als zoon van een hereboer natuurlijk alle aandacht op de lagere school. Daarbij kwam dat hij een goed stel hersens bezat, hij doorliep het gymnasium in Winschoten waar hij, geïnspireerd door zijn Friese leraar J.A.Wartena zijn eerste gedicht schreef (Roggemouer”, later opgenomen in “Störm en Stilte”(14)).


Hij ging naar de Rijksuniversiteit in Groningen om oude talen, geschiedenis en Germaanse filologie te gaan studeren (de verworven kennis is terug te vinden in onder andere “Grepen oet de Edda” en zijn vertaling van “Laid van Halewien” in “Bloaren aan de Levensboom”), maar hij hield dit slechts twee jaar vol. Eind 1931 keerde hij terug naar het boerenleven om op het bedrijf van zijn vader één van de vier ploegers te worden (het bedrijf had 8 paarden):


PLOUGEN


Peerden trekken,

- Bogen nekken -

In de graauwte

Veur de ploug op baauwte.


Iesders snieden

In de zieden

Van het stoppellaand


En ik men

Zo goud ik ken

Liekoet, lien’ in haand.


Vurgen rollen,

Kanteln, vollen

zok bie d’ open grond


En ik loop

In lichte dook,

- Fris nog, moar gezond -


Mörnrood

Blödt oet de poort

Van d’ Oosterkim

Woar ik aan ‘t plougen bin.


(uit “Störm en Stilte”, zie videoclip) (11)


Er waren meerdere redenen voor zijn thuiskomst: na het overlijden van zijn moeder had hij geen plezier meer in het studentenleven, en ook de gedachte om later leraar te moeten zijn benauwde hem. Derk Sibolt kwám thuis en Derk Sibolt blééf thuis. Hij werkte samen met de arbeiders op het land en schreef ‘s avonds gedichten. In 1944 nam hij het bedrijf van zijn vader over: 


“Ze waren bang dat de boerenzoons weg moesten, naar Duitsland, toen zei m’n vader: dan hou ik er mee op. Hij was er ook wel aan toe, hij was 59, dan houd je het niet meer vol.” (15)


Omdat hij geen enigst kind was kon hij niet het hele bedrijf overnemen. Hij kocht het beklemde gedeelte (37 van de 50 hectare) en huurde de rest van zijn broer Onno, journalist in Den Haag. In 1965 werd het hem te zwaar, en hij verkocht land en schuren aan een veehouders-bedrijf.


Ol Boer


Aal doag

Twij keer

Goa ik

De olle laan

Nog henneweer

Van mien bestoan

As boer.


Al gait t asmis

Wat stoer

Langs wat hier

Vrouger was mien laand

k Heb handstok

In mien haand.


Of wind of zunschien

Dook of regen

Al loop k nait meer

Zo haard

Langs d essen

Klain en groot

In waal van sloot

Ik ken der toch nog tegen,

En zai aal doag

Mien olle boerderij

Al hait t mien laand

Nait meer

Zo as eer

t Blift mie toch aigen,

Wie binnen nog ain.

Dat holt mie vrij!


(uit “Onder de Regenboog”)



Hovinga is nooit getrouwd, maar er zijn vijf vrouwen te vinden die in zijn leven een rol gespeeld hebben. Allereerst zijn moeder, aan wie hij zeer gehecht was, en zijn zuster Anna:


“Door het tweede huwelijk van mijn vader kreeg ik een stiefmoeder en een stiefbroer. Een zware slag was voor ons ook toen m’n zuster in een gesticht moest worden opgenomen. Ik twijfelde aan het leven en aan mezelf.” (11)


Dan is er Trees Phaff, die hij leerde kennen op het gymnasium. Ze trouwde met een Oostenrijker en ging in Wenen wonen. Derk Sibolt heeft op zijn oude dag nog veel met haar gecorrespondeerd. En er is het geheimzinnige meisje dat hij in Duitsland ontmoette, en dat door hem Grethe genoemd wordt in het gedicht:


LAIDEN OET  ‘T HAART


XI

Over de Rien


Over de Rien

Mit hoge rogge,

Over de Rien

Doar lag ‘n brogge-

Over de Rien

‘n Brog van stain;

Boven de Rien

Van wied te zain.


En op dei brog

Over de Rien,

Doar was ‘n tol

Veur over Rien

Tussen Bonn en Boil.


En bei die tol

Over de Rien,

Gef ik ‘n pfennig of tien.

Veur over Rien,

As ik noar Grethe wol

Van over Rien,

Woar ‘t laive wicht

Bie de Rien

Al op mie wachtte

Bie de Rien

In moanenschien.


As ik heur smokte

Bie de Rien

As ik heur drokte

Bie de Rien,

Dee ‘t laive wicht

Al bie de Rien

Baaid ‘ogen dicht

Al bie de Rien

Al bie de Rien, Rien...


Das leden

Bie de Rien

‘t Mag weden

Bie de Rien

‘n joar of tien.


Moar aan dei brogge

Over de Rien

Denk ik nog voak weer trogge

Al aan de Rien

Bie moanenschien

De Rien.


De Rien...


(uit: “Bloaren aan de Levensboom”, zie videoclip)


De vijfde vrouw in het leven van Derk Sibolt is Engeltje Boven, die eerst voor zijn vader werkte en later hem met het huishouden kwam helpen. Toen haar huisje in 1973 door een zware storm vernield werd trok ze bij hem in. Zoals hij al in 1952 had geschreven:


“De mensen zijn onvolmaakt zoals ikzelf en zoeken naar het geluk, doch vaak langs de verkeerde weg. Zoo heb ik nu 43 levensjaren bereikt en woon ik als vrijgezel alleen en ofschoon de vrijheid een begerenswaardig goed is, zoo is de eenzaamheid aan de andere kant niet altijd prettig.” (11)


Derk Sibolt Hovinga bleef tot het einde van zijn leven een strijdbaar man. Naast zijn vele krantenartikelen was hij bedenker van straatnamen, ijverde hij voor het Dollard-kanaal, en schreef hij over de leefbaarheid van kleine dorpen. Bijzonder is zijn kritiek op het “Grunneger Volkslaid” van Geert Teis (16):


“Pronkjewail in golden raand... pronkjewail, dat mout stad wezen. Pervinzie is den de raand. Dat stiekt mie n beetje. Stad ligt ja zelf op raand.” (17)


“t Middelpunt van Grunnen is dikke boom in Slochterbos.” (18).


Zijn voorstel is dan ook:


Van Lauwerszee tot Dollerd tou

Van Drente tot op’t Wad,

Doar ligt mien laand, mien Ommelaand

Met mennig loug en stad.

Mien laand is laand in roem verbaand,

Der boven oet waast zien verstaand,

Mien laand is laand in t groot verbaand,

Van loug en stad en plattelaand.


Op zijn tachtigste verjaardag ontving hij de gouden eremedaille in de orde van Oranje-Nassau. (19) Derk Sibolt Hovinga overleed op oudejaarsdag 1990, 81 jaar oud. (20). Zijn herinnering wordt levend gehouden door maar liefst drie gedenktekens: een bord naast zijn woning in Oostwold, een plakette op het koetshuis van de Ennemaborg te Midwolda met daarop het gedicht “Onder de Regenboog” (zie blz. 14) en een borstbeeld van Martin Grupstra dat te vinden is in Galerie De Groninger Kroon te Finsterwolde.





4. ...en literair leven


Derk Sibolt Hovinga wilde, zoal hij dat zelf stelde, “het dialect een plaats geven in de geschiedenis van de streek” (21). Met deze geschiedenis hield hij zich intensief bezig: hij schreef historische artikelen in de Winschoter Courant (zoals de “:Oldamster Raketten” over landbouw, economie, geschiedenis en taal), de “Gasland Riege”, “Huis aan Huis” en dorpskrant “TamTam”. Ook hebben veel van zijn gedichten historische onderwerpen (bijvoorbeeld “Sebo Hunengoa” en “Diekbreuk bie Jansum” in “Miemern in Twijduustern”). Maar zijn grootste betekenis heeft hij toch als dichter in het Gronings.


De dichter Simon van Wattum is hier zelfs zeer uitgesproken over:


“Hij schrijft een prachtig Oldambtster Gronings, helder, zonder omslag en van een beeldend gehalte zoals men zelden in deze contreien nog ziet. Een van die door domme eigenwaan afgeschafte literaire prijzen zou als de weerlicht weer ingesteld moeten worden om de dichter Derk Sibolt Hovinga, laat maar niet te laat, te eren voor z’n oergroninger poëzie”. (15)


Van Wattum kreeg zijn zin: in datzelfde jaar 1983 ontving Hovinga de Literaire Prijs van de Stichting ‘t Grunneger Bouk.


De gedichten van Hovinga werden gepubliceerd in “Maandblad Groningen”, “Dörp en Stad” en “‘t Swieniegeltje”. In 1952 werd zijn eerste bundel “Störm en Stilte” uitgegeven, gevolgd door “Miemern in twijduustern” (1960) en “Oogst van mien aner laand” (1968) (22). Komisch van toon zijn “Noar t Adrillenmaart in Winschoot” (1978) (23) en “De raaize noar Peries van twei Oldambtster boeren”, gebaseerd op de reis van Derk Sibolt en zijn neef naar Parijs-  voor het bezoek van 4 dagen moest 23 dagen gefietst worden (1979) (24).


Eigenlijk was Derk Sibolt gestopt met de serieuze gedichten- maar toen kwam de winter van 1979:


“Toen, in die strenge winter met al die sneeuw, toen kwam er geen post, geen krant, de hele wereld viel weg, toen heb ik balladen geschreven, de een na de ander, toen heb ik de Edda vertaald en later ben ik ook zoiets zelf gaan maken”. (15)


Het resultaat waren de bindels “Balloaden, mythen, overleverns” (1980) (25), “Bloaren aan de Levensboom”(1982) en de “Drei dichterlieke vertelsters” (1983) (26), waarmee het nut van de Oldambster winter overduidelijk is aangetoond. 


Zijn laatste bundel “Onder de Regenboog” uit 1987 mag men volgens de “Nieuwe Groninger Encyclopedie” (27) zien als “de afronding van zijn literaire werk”. In de bloemlezing “Twee eeuwen Gronings - n golden toal” (28) waarin Hovinga met twee gedichten vertegenwoordigd is wordt daarbij de venijnige kanttekening gemaakt dat “onder deze afronding toch ook behoorlijk wat rijmelarij verzeild is geraakt”.


In het novembernummer van 1989 van “Toal en Taiken” verschijnt het laatste interview met Derk Sibolt Hovinga (18). Ook zijn in memoriam verschijnt in “Toal en Taiken” (29), in 1992 gevolgd door een overzicht van zijn leven en werk (11). In datzelfde jaar wordt de “Verzamelbundel” (30) uitgegeven, waarin opgenomen de eerste drie bundels “Størm en Stilte”, “Miemern in twijduustern” en “Oogst van mien aner laand”. In 1998 volgt tenslotte “Laiden van ‘t Oldambt en ‘t  olle Loug”.






5. Ritme en Klank


Peter Visser ziet Hovinga als talentvol, maar mislukt en ook de term “rijmelarij” van “Golden Toal” is niet mals. Inderdaad valt er op veel van zijn gedichten wat aan te merken. Maar daar staat een heleboel fraais tegenover! Hovinga op zijn muzikaalst vinden we al meteen in het begin van zijn eerste bundel “Störm en Stilte”:


Veujoarsdag


Zunne schient!

De wereld nei

‘t Woater lopt in slooten vot

Van gesmolten snei.

‘t Laand is swaart

De locht is lei.

Vrij klopt mien boerenhaart.

Ik loop op de boerderij.


Rogge is gruin,

De grond is nat.

Klokke zingt van kerk in dörp,

Volk lopt op pad.

Zo stil as wat

Is ‘t over ‘t veld.

Open gaait mie ‘t haart,

Ik loop op de boerderij.


(zie videoclip)


Hovinga schrijft in het Oldambts maar gebruikt hier en in andere gedichten het Hogelandse weglaten van lidwoorden. Daardoor kan hij plaatselijk het gedicht “versnellen”: Zunne schient! en dan de vertraging door niet Wereld nei te laten volgen, maar De wereld nei. Waarom? Omdat hij werkt met tegenstellingen: de kracht van de overheersende zon tegenover de zich langzaam vernieuwende aarde- waarbij dus een ander tempo past. Dezelfde tempowisseling zien we bij de groeiende rogge en de verzadigde grond.


Het gedicht is trouwens toch een “vat vol tegenstellingen”: zon - wereld, water - sneeuw, land - lucht, rogge - grond, zingende klok - stil veld. En dan is er nog de mooie vergelijking: het weglopen van het water in de sloot tegenover het lopen van het volk op het pad.


Hoe zou het zijn als we, los van deze inhoudelijke beschouwing, meer lidwoorden laten vervallen (het zogenaamde Hogelanderiseren)? Probeer dit eens:


Zunne schient!

Wereld nei

Woater lopt in slooten vot

Van gesmolten snei.

Laand is swaart

Locht is lei.

Vrij klopt mien boerenhaart.

Ik loop op boerderij.


Het lijkt eerst lekker snel- maar de derde, de vierde, de zevende en de achtste regel gaan klemmen. Nog beter zien we dit bij het tweede couplet:


Rogge is gruin,

Grond is nat.

Klokke zingt van kerk in dörp,

Volk lopt op pad.

Zo stil as wat

Is ‘t over veld.

Open gaait mie ‘t haart,

Ik loop op boerderij.


Het “verbeterde” gedicht strompelt op die manier als een kreupel paard. Logisch, want Derk Sibolt heeft een totaal ander tempo in zijn hoofd. Hij gebruikt bij de regels drie en zeven van beide coupletten een andere cadens- iets wat zich binnen de muziek laat aanduiden als contrapunt: een beweging tegen de heersende beweging in. Waarom? Omdat hij geen zin heeft in een “sprintje om de boerderij”- de boer in zijn gedicht loopt, de handen waarschijnlijk in de zakken, staat steeds stil, kijkt. Daarbij past een wisselend tempo met zinnen in een afwijkend ritme. Waar je alleen naar toe kunt werken door op de juiste wijze te versnellen en vertragen.... Hovinga weet hier precies wat hij doet. En waarom.


Opvallend is het gebruik van het woord “boerderij”: de meest gebruikte woorden in het Oldambt zijn “ploats” of “heert”. Maar dit gaat natuurlijk niet op voor een hereboer: die heeft het, in keurig Hollands, over zijn “boerderij”.  We vinden weliswaar in het gedicht “Polder” (“Oogst van mien aner laand”):


In ‘t wied gewag

Van wind en dag

Strekt heert aan heert

Tot woar de diek

De Dollert keert (...)


Ploats staait aan ploats

In hoge stoat

Op ‘t aigen haim

Stil oet te zain (...)


En in zijn laatste bundel “Onder de Regenboog”gebruikt Hovinga eveneens “heerd” (niet meer “heert”) en “ploats”- maar ook hier is dat weer voor de (vervallen) boerderij van een ander:


Olle boerderij


Gain boerenloan

En heerd ook meer

Dij as aleer

Het veld ingoan.


t Laand is verkoft

En schoalvergroot.

Wel haar dat docht

Aal t olle dood.


Moar toch

De olle ploats

Dij staait ter nog

Al is de boer laank dood,


En bomen bie de sloot

Deur hom aal poot

Dij leven nog

En worren langsoam groot.


Zo eenvoudig als dit gedicht er uit ziet, zo knap is het. Hovinga speelt hier met een paar muzikale motieven, die hij op boeiende wijze laat afwisselen. Allereerst het "oa-motief", onderbroken door de ee: loan - meer - aleer - goan. In couplet twee laat hij beide motieven vallen, en start hij vrolijk met twee nieuwe: oh en oo. Om de verrassing compleet te maken wisselt hij het abba-schema in voor een abab: verkoft - vergroot - docht - dood. Maar het wordt nog erger. In couplet drie gaat hij verder met de oh en de oo, maar haalt dan terloops het eerder gebruikte "oa-motiefje" op, ditmaal in een abac-schema: toch - ploats - nog - dood. In het laatste couplet blijkt het “oo-motief” de strijd te hebben gewonnen. In een aaba-schema (de vierde variant!) wordt het sloot - poot - nog - groot. Deze klankcompositie ziet er in lineair schema zo uit:


oa ee ee oa - oh oo oh oo - oh oa oh oo - oo oo oh oo


Je ziet als het ware voor je, hoe de tijd op de materie ingrijpt- eerst verdwijnt de ee, de oa houdt het langer vol maar legt ook het loodje, de oh ontstaat maar wordt door de oo overwoekerd. Knap! Je ziet de boerderij instorten en de groeiende bomen (voorlopig) overblijven...

Het verderf wordt nog eens benadrukt doordat Hovinga het woord “dood” tweemaal gebruikt. Hij gebruikt graag herhalingen wel vaker (het gedicht “Snei” uit “Störm en Stilte” begint bijvoorbeeld zo: “Witter als zulverwit - As ‘t hoogste wolkenwit”, zie volgend hoofdstuk) maar zelden zo effectief als hier.


Wie dit alles kan is bepaald geen kleine jongen.





6. Ambitie en Conclusie


Hovinga is een ambitieus dichter: een echte here-dichter! Dit blijkt bijvoorbeeld uit het titelgedicht van zijn laatste bundel “Onder de Regenboog”:


De dichter wil de zon gebruiken om het gedicht tot over ruimte en tijd heen te laten reiken. Dat is niet klein gedacht. In “Bloaren aan de Levensboom” vinden we de wens de dood te overwinnen, en wel in “Gedichten van ‘t Levensmysterie” deel 6:


As ik dood bin


As ik dood bin

En aine mien gedichten leest,

Meschain dat e den woarhaid vindt

In de gedachten van mien geest,

Zodat, as ik hier nait meer bin

Dat toch in joe weer leeft

En oet ‘n aaiweghaid

Toch weer in wereld zweeft

En d’ olle poaden gait:

Dat ik weer in joe leef.

En ie in mie. (...)




Het allerlaatste gedicht in zijn laatste bundel is hier zelfs nog eerlijker in:


Vergeet mie naitje


Ik bin t bloumke:

In dit laidje

Mit n geel steerntje

as haartje

In n hemelsblaauw klaidje


De Dichter:

Loat mie, mysterie

Om die

Veur dij mien laiden lezen

Ook n vergeet mie naitje wezen.


De Dichter (met hoofdletter D) wil niet vergeten worden.... Maar hoe realistisch is deze wens?


Zoals al door anderen geconstateerd zijn niet alle gedichten van Hovinga even sterk. Vaak laat hij zich weinig gelegen liggen aan klemtonen, hetgeen niet alleen slordig maar vooral ook knullig overkomt. Een voorbeeld is te vinden in het boven geciteerde “Ol maai 1940: ‘t noodlot”, waar couplet 2 bestaat uit de regels:


Den heur ik onverwacht, doargun vebie,

Explosie op explosie.


Het is bijna onmogelijk om hier “explósie” te lezen, het wordt, of je wilt of niet,


“... doargun vebie, Explosié op explosié”.


Schier is aans. Overigens lijkt de buitenboord-vallende klemtoon een typisch Hovinga-probleem, het woord “mysterie” dat bij hem zeer vaak voorkomt wordt niet zelden “mysterié”, dus uitgesproken zoals in “hysterie”. Zie als illustratie hiervan bovenstaand “Vergeet mie naitje”.


Maar zoals we hebben gezien staan hier genoeg pracht-gedichten tegenover. Hoe kan het dan dat Hovinga nog steeds relatief onbekend is? Simon van Wattum had hiervoor een goede verklaring:


“Eigenlijk heeft Derk Sibolt Hovinga, behalve in de kleine kring van bewonderaars, nooit de erkenning gekregen die hem toekwam. Hij was te laat, hij kwam na de groten als Jelte Dijkstra, J.Rietema, Hans Elema, Sien Jensema en Jan Boer. En hij kwam ook te vroeg. Voor de jongeren die na de oorlog aantraden, behoorde hij al tot de ouderen. En dan was er nog iets. Hij gold als een natuurdichter, er kwam, zo werd gezegd, in zijn poëzie geen mens voor, spoken en goden en alles wat je maar wou, maar geen mensen en dat nu was fout, dat was achterhaald, de strijd van de mens stond centraal.” (15)


Klinkende argumenten. Inderdaad wordt hem zelfs in het voorwoord van de bundel “Miemern in twijduuster”, toch uitgegeven om de dichter te eren met zijn vijftigste verjaardag, door Jan Boer verweten dat hij meer natuur- dan mensendichter was. Dat dit niet helemaal klopt blijkt wel uit een  gedicht als “’t Aailand van geluk” (inderdaad, “geluk” in plaats van “gelok”, dat hij elders wel gebruikt. Hovinga placht aan bezoekers een zorgvuldig uitgeschreven lijstje te overhandigen met de zetfouten in zijn bundels- misschien is dit zo’n fout. Voor zijn “fans” is zo’n lijstje een echt verlanglijstje!).


‘t Aailand van geluk


O nacht

Het aailand rust.

Ik stoa mit die allain

Hier aan de leste kust

En om ons roest de zee.


O wenst,

Het aiweg laid,

Dat in en om ons waait,

En het gain enne nait,

En roest ook in de zee.


O vloud

Van ‘t zingend bloud,

Dei in en om ons slagt

Zien wonderlijke macht,

En golft ook in de zee.


O schoem

van ‘t geluk,

Dat om ons licht en blinkt,

Woarin ons wezen zinkt,

En schoem ook in de zee.


O licht,

Dat wiedweg licht,

En ‘t hoge steernlicht

Rondom dien teer gezicht

En ‘t lichten van de zee.


(zie videoclip)


Hovinga is zich continue bewust is van de kleinheid van de mens. Of beter: van de mens als miniem onderdeel van het totale, zich steeds vernieuwende universum. Uit: “Onder de regenboog”:


TWIJSTRIED


Twijstried van krachten

Van ondeurgrondelijke machten

Is alles wat bestaat

En toerloos draait

In kosmos en atomen

In stof en levensgeest,



Zunder ooit tot stilstand

En vrede te komen,

t Hailaal in t rond

O ondeurgrondelijke grond

Van aal worren en wezen

Wel ken dat lezen?


Maar er is ook een andere Hovinga, iemand die zich, in zijn beschrijvingen van zijn omgeving op een heel persoonlijke wijze laat kennen. Ook in deze gedichten zit vaak de verwondering, het ontzag voor dat wat letterlijk onuitspreekbaar is. Waarop hij respectvol zwijgt:


SNEI


Witter as zulverwit,

As ‘t hooge wolkenwit

Ligt over veld en graid

‘n Tere sneien spraid.

Zo wit, zo zuver, wied...

‘n Loaken as van steernzied’.

Hier’s gain geluud, gain tied,

Moar boare aiweghaid,

Woar ‘t eerdse aal vergaait

Is licht van d’hemel heer...

Ik vin gain woorden meer...


Hovinga heeft iets gepresteerd dat maar weinig dichters vóór of na hem gelukt is: hij is tot de essentie van de muziek doorgedrongen, zelfs tot het allereerste begin er van: de stilte.


Zonder stilte geen muziek- en zonder muziek geen poëzie.


Derk Sibolt Hovinga is de koning van de stilte, en van daaruit heeft hij zijn “aner laand” opgebouwd. Op een wijze, die ons een gedreven en gevoelvol mens laat kennen.


Denkend aan Hovinga en zijn muziek komt me steeds de naam van een andere componist in gedachten: Tomasso Albinoni. Die van dat prachtige “Adagio in G-mineur” (andere muziek van Albinoni hoor je van je levensdagen nooit!). Nu weet ik wel dat het eigenlijk geschreven is door de onbekende Italiaanse musicoloog Giaszotto (23), dit naar aanleiding van diens vondst van een Albinoni-partituur van 6 maten met wat losse aantekeningen.... Maar goed: al waren er dan twee man nodig om het te scheppen, het Adagio blijft eeuwig mooi... en Albinoni blijft voor iedereen een groot componist. Één geslaagde creatie kan klaarblijkelijk al voldoende zijn om een kunstenaar “onsterfelijk” te maken... en Hovinga heeft er tientallen. Misschien is het eens tijd om zijn beste gedichten ook buiten Groningen te promoten?!


Het lijkt me dat we niet al te bezorgd hoeven te zijn over de literaire toekomst van Derk Sibolt. Naast de paar gedichten die vergeten zullen worden, is hij de auteur van een aantal “toppers”, “evergreens”, “goud van oud”, kortom: “klassiekers” waarop we in Groningen trots mogen zijn. Nee, ik ga geen namen noemen, laat iedereen vooral zijn of haar eigen favorieten uitkiezen!


Nou, nog eentje dan, uit “Störm en Stilte”, waarin de bron van de dichter wordt verwoord:



STILTE


Boeten is ‘t duuster,

Blinnen bin dicht.

Ik zit allaine,

Binnen, bie ‘t licht.

Om mie daipe stilte

Dei op ale dingen ligt.

Niks sprekt, ales swigt,

Drokt as’n looden gewicht...


‘t Krassen van mien penne

Brekt dit swoare swiegen

In ‘n gedicht...


(zie videoclip)





Bronvermeldingen



Onder nummer in de tekst:



(1) Visser, Peter - “Over Grunnegtoalege poëzie”, “Toal en Taiken”, Scheemda, januari 2000

(2) Hovinga, D S - “Miemern in twijduustern”, Van der Veen, Winschoten, 1960

(3) Hovinga, D S - “Onder de Regenboog”, Profiel, Bedum, 1987

(4) Hovinga, D S - “Laiden van ‘t Oldambt en ‘t  olle Loug”, D.S.Hovingafonds, Blijham, 1998

(5) Operettevereniging “Pro Burletta”, http://www.proburletta.nl, Sappemeer, 2007

(6) Hovinga, D S - “Bloaren aan de Levensboom”, Stabo, Groningen, 1982

(7) Broersma, D T - “Gemeenschapszin en Twist -De totstandkoming van de Groninger Culturele Gemeenschap”, dissertatie RUG, Groningen, 2005

(8) N.N. - “Welkom in Oostwold”, “7Blad,” Scheemda, juni 2003

(9) Bakker, J - “Maar verder is hier niks gebeurd... - Oorlog en bevrijding gemeente Scheemda”, Servo, Assen, 1995

(10) Hovinga, Willem - “Parenteel van Habbo Sijbolts”, http://willemhovinga.com, Leek, 2002

(11) Velzen, Meijco van - “Derk Sibolt Hovinga 1909-1990”, “Toal en Taiken”, maart 1992

(12) NN - “Standbeeld wekt beroering”, Winschoter Courant, 19-5-1992

(13) NN - “Drenth trekt steun standbeeld in”, Winschoter Courant, 22-5-1992

(14) Hovinga, D S - “Störm en Stilte”, Ceres, Meppel, 1952

(15) Simon van Wattum - “Derk Sibolt Hovinga, dichter van het Oldambt”, Winsch. C., 5-2-1983

(16) Geert Teis - “Grönnens Laid”, “Grunneger toal aans bekeken”, Stichting Grunneger Toal, 2007

(17) Johan Poppen - “Hovinga verdiept zich in achtergronden”, Groninger Dagblad, 13-10-1989

(18) Hovinga, D S en Sap-Akkerman, Nies - “Derk Sibolt Hovinga: zulf ook n blad aan levensboom”, “Toal en Taiken”, Scheemda, november 1989

(19) NN - “Lintje veur Derk Sibolt Hovinga”, “Toal en Taiken”, Scheemda, november 1989

(20) NN - “Dichter van het Oldambt D.S.Hovinga overleden”, DGP, 2-1-1991

(21) NN - “Derk Sibolt Hovinga, dichter in Oostwold”, Winschoter Courant?, 5-1-1978

(22) Hovinga, D S - “Oogst van mien aner laand”, Van der Veen, Winschoten, 1968

(23) Hovinga, D S - “Noar t Adrillenmaart in Winschoot”, Groningen, 1978

(24) Hovinga, D S - “De raaize noar Peries van twei Oldambtster boeren”, Groningen, 1979

(25) Hovinga, D S - “Balloaden, mythen, overleverns”, Groningen, 1980

(26) Hovinga, D S - “Drei dichterlieke vertelsters”, Groningen, 1983

(27) Nieuwe Groninger Encyclopedie, REGIO-PRojekt Uitgevers, Groningen, 1999

(28) Diemer, Hanny en Loer, Jacob - “Twee eeuwen Gronings - n golden toal”, In Boekvorm Uitgevers, Assen, 2005

(29) Brouwer, J - “Derk Sibolt Hovinga nait meer onder ons”, “Toal en Taiken”, januari  1991

(30) Hovinga, D S - “Verzamelbundel”, Meinders, Scheemda, 1992

  1. (31)Hamon, Jean - “Un musicien à la mode”, Erato, Parijs, 1970



Geraadpleegd, maar niet rechtstreeks met de tekst verbonden:


(32) Bibliografie van Groningen, http://opc.ub.rug.nl, 2007

(33) Boer, Jan - “Op de grens tussen het Gronings en het Nederlands”, Dekker en Huisman, Wildervank, 1982

(34) Broesder, Pieter - “Dag en nacht klaar staan voor 35 gulden”, Dagblad vh Noorden?, plm december 2005

(35) Delvos, Martine en Gottmer, Marijke - “Leven met Autisme”, Bohn, Stafleu, Van Loghum, Houten, 2006

(36) Digitale Dorp Midwolda, http://home.wxs.nl/~berbron/midwolda.htm, 2007

(37) Dongen, Ad van - “Nostalgisch gezicht Oldambt”, Technipress, Groningen,1983

(38) Einde, Swen-Franse van - “De dichter in de klei”, Uitgeverij lulu.com, 2006

(39) Graftombe.nl. http://www.graftombe.nl/, 2007

(40) Hindley, Geoffrey - “Larousse Encyclopedia of Music”, Hamlyn Publ. Group, Feltham, 1977

(41) Houwink, Mr. R. - “Inleiding tot de hedendaagse Nederlandse letterkunde”, Noordhoff, Groningen, 1932

(42) Hovinga, D S - “Van n bult ideolen”, “Toal en Taiken”, Scheemda, mei 1987

(43) Hovinga, D S - “Akkermans Rouw”, “Het Oldambt” deel 4, Scheemda, 2000

(44) Hovinga, D.S. - “Old petret”, “Toal en Taiken”, Scheemda, mei 2004

(45) Inventaris Voormalig Gemeente Midwolda 1920-1989

(46) “Met schrijvers en dichters op pad. Literatuurroute Oldambt”, Profiel Uitgeverij, Bedum, 2005

(47) NN - “Scheemder politiek zet grote vraagtekens bij standbeeld”, Winschoter Courant 20-5-92

(48) NN - “Die allinig loaten was t allerstoerste in mien leven”, Dagblad vh Noorden, 23-12-2005

(49) Reker, Siemon - “Goidag” - Taalgids Groningen”,  In Boekvorm Uitgevers, Assen, 2005

(50) Reker, Siemon - “Toal - Oost-Groningen”,In Boekvorm Uitgevers, Assen, 2005

(51) Reker, Siemon - “Zakwoordenboek”, Staalboek, Veendam, 1998

(52) Ritter, Dr. P.H. jr. - “Ontmoetingen met schrijvers”, boekenweekgeschenk 1956,

(53) Sterk, Fred en Swaen, Sjoerd - “Leven met een Dwangstoornis”, Bohn, Stafleu, Van Loghum, Houten/Diegem, 2001

(54) Veen, Luuk van der - “Boerderijen in Nederland”, Sijthoff, Amsterdam, 1985



Geheel of gedeeltelijk opgenomen gedichten:


Uit “Störm en Stilte”: “Plougen”, “Veujoarsdag”, “Snei”, “Stilte”

Uit “Miemern in twijduustern”: “Mysterie”, “’t Aailand van geluk”

Uit “Oogst van mien aner laand”: “Polder”

Uit “Bloaren aan de Levensboom”: “Over de Rien”, “Ol maai 1940: ‘t noodlot”, “As ik dood bin”

Uit “Onder de Regenboog”: “Oergrond”, “Ol Boer”, “Olle boerderij”, “Twijstried”, “Onder de Regenboog”,  “Vergeet mie naitje”

Uit “Laiden van ‘t Oldambt en’t olle Loug”: “Oostwolmer Volkslaid”, “Moushouklaid”


Een aantal van deze gedichten is als lied te horen (en zien) op de pagina video’s.


Verantwoording illustraties:



1. Gesigneerd portret van Derk Sibolt Hovinga in “Bloaren aan de Levensboom”, uitg 1982

2. Graf van Habbo Derk Hovinga en Anna Frouwina Ebbens op de begraafplaats in Oostwold, foto HW, 2007

  1. 3.Herdenkingsbord voor Hovinga’s vroegere woning, foto HW 2007

  2. 4.De Moushouk, ansichtkaart uit de collectie van Ben Doedens (http://home.hetnet.nl/~vrouger). Uitgave: Z.J. Koning Gzn. te Oostwolde, Oldambt

  3. 5.Still uit de videoclip van “‘t aailand van geluk”, beeld van Jan-Willem van Reijmerdsdal

  4. 6.Portret Derk Sibolt Hovinga in “Verzamelbundel”, foto Eric Koch (DGP, 1983)

  5. 7.Foto-wand van Patrick Ruiter voor Mien Aner Laand, 2008



Met dank aan:


Alie Blaauw-Geitz

Grunneger Cultuurcentrum

Stichting Grunneger Toal

D S Hovingafonds

Willem Hovinga

Meike Stedema

Stichting COM